
Ook de tweede keer was de lange oprijlaan imposant, ondanks de met modder gevulde kuilen en het opschietende gras. De mensfiguren aan weerskanten, op hun sokkels in de hoge halmen, deden spookachtig aan in de mist. Ik reed behoedzaam, terwijl de kiezels knerpten onder de banden van mijn gloednieuwe, obsidiaanzwarte Mercedes CLE Cabrio.
Voor ons doemde het het landhuis op. Dat was enorm, maar ook slecht onderhouden, hadden we gisteren al gezien. Het stond vol met oude schatten en oude rotzooi. De muren waren behangen met prachtige, mogelijk waardevolle schilderijen. Sommige afbeeldingen waren grotesk. Het rook er naar schimmel en muizenkeutels.
Ik was er nog steeds niet uit of het fantastisch of juist verschrikkelijk was dat wij van dit alles nu de eigenaren waren. Het was in elk geval… Interessant.
Wendy neigde sterk naar verschrikkelijk.
“My god, wat een trieste teringzooi,” was haar eerste reactie geweest op alleen nog maar de foto’s.
En toen ze het voor het eerst in het echt zag: “Het is nog erger dan ik dacht. Fucking creepy hier. Never nooit dat ik hier ga slapen.”
Ik reageerde niet en dat hoefde ook niet. We hadden de reservering voor de herberg in het dorp hier verderop samen gemaakt. Twee eenpersoonskamers, want dat we door mijn excentrieke oudoom uitdrukkelijk samen als erfgenaam van zijn niet onaanzienlijke vermogen waren aangewezen, veranderde niks aan het feit dat ons huwelijk definitief voorbij was.
“Wat was die René Mouthaan ook al weer precies van je? Een broer van je opa, toch?”
Ze wist het, dus ook daar hoefde ik niet op te antwoorden.
“Echt raar, dat je nog nooit van hem had gehoord. Je moeder leek me niet het type om een geheim te kunnen bewaren. En zij moet van hem geweten hebben, lijkt me.”
“Ik weet het niet, Wendy.”
“Waarom zeg je dat op die toon? Het is toch gewoon raar. En hoe wist René eigenlijk van mijn bestaan? Zou hij dan toch contact gehad hebben met iemand van jouw familie?”
“Ik weet het niet! En wil je nu alsjeblieft een poosje je kop houden?”
Even keek ze me aan alsof ze het op een huilen wilde zetten, maar ze deed het niet. In plaats daarvan hield ze inderdaad een poosje haar kop, tot we voor het grote schilderij in de ontvangsthal stonden.
“Sweet baby Jesus,” stamelde ze. “Geen wonder dat die gast hier gek is geworden.”
Het was een bizar meesterwerk.
“Of misschien was hij al gek en heeft hij daarom zoiets afschuwelijks gekocht.”
Ik kon er alleen maar in stille bewondering naar staren.
En dat was nog maar de eerste.
Wat Wendy op haar kamer deed, weet ik niet, maar ik heb die nacht niet veel slaap gehad. De afbeeldingen die ik gezien had, wervelden in mijn hoofd als een koortsvisioen. René Mouthaan zelf was één van de geportretteerden en hij sprak tegen me, al kon ik me later niet herinneren wat hij had gezegd. Op enig ogenblik ben ik opgestaan, in de hoop dat ik na een stevige nachtwandeling alsnog de slaap zou kunnen vatten. Vanwege de dichte mist die inmiddels op was komen zetten, bleef de wandeling beperkt tot een ommetje in de tuin van de herberg. Dat was voldoende. Binnen een kwartier nadat ik weer in bed was gaan liggen, dommelde ik in. Dat moet om een uur of drie geweest zijn.
Om zes uur werd ik verkwikt wakker.
“Jij hebt het ook gezien, toch,” was het eerste dat Wendy tegen me zei toen ik een half uurtje later in de eetzaal verscheen. Ze zat alleen aan een tweepersoonstafeltje met een kop koffie. Op het bord voor haar telde ik drie aangebroken melk-cupjes en vijf verfrommelde lege suikerstaafjes. Geen kruimels.
“Ook goedemorgen,” antwoordde ik. “Zullen we eerst even rustig ontbijten?”
“Heb je het nou gezien of niet?”
Haar blik was intens, maar ik kon haar emotie niet peilen. Het leek wel of ze me iets verweet. Wat ik wel zag, was dat ze ergens in de afgelopen nacht weer was begonnen met nagelbijten.
Ik wist niet waar ze het over had en dat zei ik ook.
“In de bibliotheek. In dat schilderij van die, van die, wat was het, een barende demon?”
Dat schilderij had ik wel gezien.
“En ook in dat grote schilderij in de hal. Wat was dat in vredesnaam voor ziek tafereel? Daarin zit het ook.”
“Wat bedoel je?”
“En in sommige portretten. Niet in allemaal, of misschien is het daarin beter verborgen, maar in sommige zeker weten wel en die schilderijen met die gestoorde shit erop, die hebben het allemaal.”
“Jezus Wendy, wees nou even concreet. Wat heb je precies gezien?”
Maar ze had er geen woorden voor.
Ze staarde me over haar volgende kop koffie met grauw omrande ogen aan.
Ik at mijn ontbijt. Daarna reden we zwijgend van het dorp naar ons landgoed.
De mist van de afgelopen nacht was grotendeels opgelost, maar leek weer dichter te worden naarmate we het landhuis naderden. Dat deed vreemde dingen met mijn gevoel voor ruimte. De oprit was aan het einde even breed als aan het begin, maar de standbeelden leken hier opeens dichterbij te staan. Grijze gedaantes in het wit, die achteruitdeinsden terwijl we voorbij reden.
“Doe de kap dicht,” zei Wendy snel.
Ik drukte op een knop en het knerpen verstomde.
We kwamen bij de trap, die leidde naar het afbladderende bordes. Links daarvan was de bediendeningang, waardoor we gisteren naar binnen waren gegaan. Ik bracht de auto tot stilstand.
“Ga je mee,” vroeg ik.
Ze keek eerst in de achteruitkijkspiegel en daarna pas naar mij.
“We hoeven niet nog een keer naar binnen.”
“Dan ga ik alleen.”
“Nee, wacht!”
Ik liet de deurhendel los.
“We kunnen een taxateur laten komen om alles te catalogiseren en voor ons te verkopen. Of af te laten voeren, voor mijn part. Het geld is genoeg. Van ieder de helft kunnen we allebei ruim leven.”
Wendy sprak vlug en bezwerend, met gedempte stem.
“Dit huis en alles wat erin staat, het is slecht nieuws, hoor je. Slecht nieuws.”
Ze keek opnieuw in de achteruitkijkspiegel.
“Wat zie je daar toch?”
“Niks. Alleen mist. Maar het deugt hier niet. Dat moet jij toch ook voelen.”
Wat ik voelde, was haar nervositeit die op mij oversloeg. Haar angstige verbeelding, versterkt door een nachtje piekeren en zes koppen koffie op de nuchtere maag. Ik onderdrukte de neiging om ook achter ons te kijken.
“Zie je wel! Jij voelt het ook.”
“Ik voel helemaal niks. En jij mag de hele dag hier in de auto gaan zitten wachten als je dat zo nodig wilt, maar ik ga naar binnen.”
Ik stapte uit en schonk haar een laatste glimlach.
“Eens zien of ik kan ontdekken wat jij toch in die schilderijen hebt gezien.”
Ik was er oprecht benieuwd naar.
Het leek me fantastisch.
Log in om te reageren
Dag Raneguel, Of het gothic horror-achtig is, kan ik niet beoordelen. Omdat dat mijn genre niet is, Je zet een sterke sfeer neer en een conflict en daarmee spanning. Het is ontegenzeggelijk voor de lezer dat er iets dreigt. Iets bovennatuurlijks. Er zijn wat aandachtspunten wat mij betreft. Maar ni...
Creepy spannend! Ik moet toegeven dat ik niet goed snap wat er precies aan de hand is, maar de griezelspanning is goed aanwezig 👍
Thanks! Ik snap dat je niet snapt wat er aan de hand is. Ik had een heleboel losse eindjes in het begin gestopt en 800 woorden bleek niet voldoende om aan elkaar te knopen wat ik nog aan elkaar wilde knopen. Ik had wel wat los willen laten (dat hoort in Gothic Horror, heb ik begrepen), maar niet zov...